ZIE JE ER NET ZO UIT ALS IN MIJN GEDACHTEN?

Het verhaal is echt, de namen fictief.

Spannend was het.
Een ontmoeting tussen vader en zoon.
Twee jaar oud en tot dan toe alleen bestaand in gedachte.
Ze hadden elkaar nog nooit gezien.

Ook ik vond dit spannend want; hoe zou het gaan?

De week ervoor had ik al kennis gemaakt met Abel; een vrolijk en speels kind, in het begin wat verlegen verschuild achter het been van zijn moeder. Maar toen ik de blokken en de draak pakte was hij snel om. Betoverd door de magie van het spel vermaakte hij zich wel. Als hij maar alvast een beetje wist wie ik was, dan zou het niet zo gek voor hem zijn als er volgende week óók nog een meneer bij zou zijn. En niet zomaar een meneer; een meneer die in de toekomst de naam ‘papa’ zou dragen.
Ik zwaaide Abel uit; Dag Abel, tot volgende week.

De dag was daar.

Ik voelde de spanning van vader, hij had er zin in. Onder zijn arm droeg hij een knuffel. Ik vroeg me af wat er in zijn hoofd omging en welke vragen er allemaal zouden rondspoken. Vader was nieuwsgierig hoe Abel er uit zou zien en of hij op hem zou lijken.
Ondanks dat ik me vanuit vader best kon voorstellen dat hij zijn kind in de armen zou willen vliegen had ik het wel voorgesproken. Zo had ik met vader afgesproken dat hij, ondanks zijn eigen emoties, wat voorzichtig zou zijn in de toenadering richting Abel. Abel had immers geen idee wie hij was.
In de gang haalde ik Abel op. Eerst was hij wat verlegen en had hij enige twijfel, maar toen ik hem uitnodigde om een nog grotere toren dan vorige week te bouwen durfde hij het aan. Samen liepen we de trap op. Door het glas van de deur zag ik vader staan. Hij had zijn camera al klaar. Vol trots keek hij naar zijn zoon. Hij bekeek hem van onder tot boven terwijl er een grote lach op zijn gezicht stond. Zijn eigen vlees en bloed, tot dan toe altijd gecreëerd in gedachten, stond nu voor hem. Trots straalde hij; “Ik ben jouw papa Abel.” Abel keek hem aan en leek het niet echt te begrijpen.

Ze liepen naar de speelkamer. Wat verlegen en overrompeld keek Abel zijn vader aan. Om hem gerust te stellen pakte ik de draak en de blokken; “Kijk Abel, ken je ze nog?” Een glimlach kwam tevoorschijn. “Wist je dat papa ook hele grote torens kan bouwen?”
Met zijn drieën bouwden we een toren, Abel leek op zijn gemak. Vader streelde zijn krullen en aaide zijn wang. Abel was vooral gericht op de toren. Steeds als vader hem heel hoog had gebouwd duwde Abel hem om. Een lach en soms een verlegen gezicht wanneer vader zijn camera tevoorschijn haalde. Abel hield niet zo van de foto’s. “Dat komt een andere keer wel”, stelde ik vader gerust.

Het uur was voorbij. Ik zei tegen Abel dat hij nu weer naar mama ging. “Wil je papa een knuffel geven?” Dat was nog wat te spannend. “Zwaai maar naar papa, volgende week mag je weer met hem spelen, dan kan je een nóg hogere toren bouwen.” Hij zwaaide naar zijn vader en we liepen de deur uit.

“Dag Abel, tot de volgende keer.”